Naar inhoud springen

spits

Uit WikiWoordenboek
  • spits
enkelvoud meervoud
naamwoord spits spitsen
verkleinwoord spitsje spitsjes

de spits v / m

  1. (verkeer) grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
    • Hij ging in de spits naar zijn werk. 
  2. (sport) binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
    • Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt. 
    ▸ Even later tekende Lewandowski wel voor zijn tiende Champions League-treffer. Oud-Ajacied Maximilian Wöber ging het duel met de Poolse spits veel te lomp in, waarna Lewandowski zijn zelf verdiende strafschop snoeihard in de linkerhoek schoot: 1-0.[6]
  3. (scheepvaart) klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
  4. (bouwkunde) scherp, puntig uiteinde, hoogste punt
    • De spits van de kerktoren. 

de spits m

  1. type hond met een spitse snuit, opstaande, vrij kleine oren, een dichte, afstaande vacht, een tamelijk steile achterhand en een krullende staart
  2. (verouderd) beste vriend

spits m, o

  1. eerste stoot van een aanval (alleen nog in uitdrukkingen)
  • [7] de/het spits afbijten
    als eerste met iets beginnen
  • [7] de/het spits bieden aan
    krachtig verzet bieden tegen
  • [4] op de spits drijven
    iets tot het uiterste doordrijven of laten escaleren
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen spitsspitserspitst
verbogen spitsespitserespitste
partitief spitsspitsers-

spits

  1. in een punt uitkomend
    • Hij kreeg de spitse pijl in zijn been. 
  2. scherpzinnig
    • Ze gaf hem weer zo'n spits antwoord. 
vervoeging van
spitsen

spits

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spitsen
    • Ik spits. 
  2. gebiedende wijs van spitsen
    • Spits! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spitsen
    • Spits je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]

spits

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van (to) spit

spits mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spit