Naar inhoud springen

eenheid

Uit WikiWoordenboek
  • een·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord eenheid eenheden
verkleinwoord eenheidje eenheidjes

de eenheid v

  1. een bij elkaar horend geheel (systeem) met kenmerkende eigenschappen
    ▾ Een kleine, evenwichtige, wendbare eenheid waarbinnen volwassenen ouders worden en kinderen groot.[3]
    • Deze mensen werden door deze dreiging tot een eenheid samengesmeed met gemeenschappelijk doel. 
    • De mobiele eenheid (ME) is een groep politieagenten die als geheel op verschillende plekken kan worden ingezet bij de bestrijding van rellen. 
  2. (maatschappij), (sociologie) het gevoel dat men met velen op één lijn zit
    ▾ Nationale eenheid is nou eenmaal makkelijker te vangen in termen als democratie en vrijheid, dan in de persoon van een bolwangige veertiger.[4]
  3. (wetenschap) maat, standaard [1] waarin een grootheid [1] wordt uitgedrukt
    • De coulomb is de eenheid van lading. 
  4. woonruimte
    • De lounge is een vrijstaande eenheid. 


99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
  1. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. ↑ "eenheid" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  3. ↑
    Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  4. ↑ Bronlink Weblink bron
    Tim Jansen
    “Vier vijf mei! Vervang Koningsdag door Bevrijdingsdag” (30/01/2013), HP de Tijd
  5. ↑ www.nrc.nl (14 apr 2025)
  6. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
naamwoord eenheid eenhede

eenheid

  1. eenheid