Naar inhoud springen

eenvoudig

Uit WikiWoordenboek
  • een·vou·dig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen eenvoudigeenvoudigereenvoudigst
verbogen eenvoudigeeenvoudigereeenvoudigste
partitief eenvoudigseenvoudigers-

eenvoudig

  1. niet ingewikkeld; heel gemakkelijk; uit één stuk
    • De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig. 
    ▸ Er ontvouwde zich een geraffineerd panorama bij de bocht. Aan het einde van de kade langs de gracht, die met eenvoudige meerpalen van blank hout was gearceerd, was de slanke boog van de Ponte del Gafaro getekend voor de oudroze gevel van een laag palazzo, die was voorzien van zeven hoge puntige ramen in een witmarmeren sponning en werd bekroond met de klokkentoren van een kerk daarachter.[3]
    ▸ Echt alleen zijn bleek nog niet zo eenvoudig.[4]
    ▸ Theoretisch leek de oplossing heel eenvoudig. In de praktijk was het iets moeilijker.[5]
  2. zonder overdaad of vertoon
    ▸ Van eenvoudige monnik tot onsterfelijke kindervriend[6]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]