Naar inhoud springen

tast

Uit WikiWoordenboek
  • tast
enkelvoud meervoud
naamwoord tast -
verkleinwoord - -

de tast m

  1. het zintuig van de aanraking, met name van de handen
    • Het was pikkedonker, maar hij vond zijn weg op de tast. 
    ▸ Toen plotseling zag ik een flauw licht en op de tast mijn weg zoekend ontdekte ik dat het door een rooster kwam in de muur van de kelder.[1]
vervoeging van
tasten

tast

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van tasten
  2. gebiedende wijs van tasten
vervoeging van
tassen

tast

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tassen
    • Jij tast. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tassen
    • Hij tast. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van tassen
    • Tast! 
    ▸ Maar het bedrog van Nicolas tast ook mijn fysieke integriteit aan.[2]
97 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑
    Victoria Holt
    “De bruid van Pendorric” (1973), SAGA Egmont, ISBN 9788726955583
  2. ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be