Naar inhoud springen

tassen

Uit WikiWoordenboek
  • tas·sen
  • afgeleid van tas met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tassen
taste
getast
zwak -t volledig

tassen [2]

  1. (verouderd) ophopen

de tassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tas
    ▾ Ze haalt haar tassen en haar balkonbakken uit de auto en sleept ze naar het jongerencentrum.[3]
    ▾ Net als zij nu was haar moeder toen, waar ze ook gingen, met tassen aan het schuiven, in de keukenkastjes waar het laminaat van afbladderde, in de bergruimte onder de tafelzitjes, in de piepkleine garderobekast in de slaapkamer, in de bovenkastjes met klikkende magnetische sluitingen (de hele dag hoorde je het klik-klik- klik), en haar moeder in stille bedrijvigheid alsof ze aan het verhuizen waren in plaats van op vakantie.[4]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. ↑ tassen op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. ↑
    Frederik Backman
    “Britt-Marie was hier” (2015), Q, ISBN 9789021400679
  4. ↑
    Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  5. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be