Naar inhoud springen

schoonmaken

Uit WikiWoordenboek
  • schoon·ma·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schoonmaken
maakte schoon
schoongemaakt
zwak -t volledig

schoonmaken

  1. overgankelijk reinigen
    • Hij moest voor straf zijn hele kamer schoonmaken. 
    • Veel klanten reageren enthousiast en vinden het een ‘superidee’. Een enkeling stelt nuchter dat veel drankjes ook zonder rietje te drinken zijn. Waarom geen metalen rietjes? vraagt een ander. Die zijn lastig schoon te maken en dat is niet zo hygiënisch, reageert de bakker. [1] 
    ▸ Ze wilde niet dat ze zouden denken dat Britt-Marie zo slecht was in schoonmaken dat ze daarvoor iemand in dienst moest nemen.[2]
    ▸ Het is weer eens wat anders dan praten over de roosters of procedures in het station, het lokaliseren en repareren van een lek aan een koppelpoort, het schoonmaken van de bacteriënfilter, het vervangen van de luchtfilter of de warmtewisselaar.[3]

de schoonmaken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schoonmaak
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. ↑ Tubantia Ellen den Hollander 16-07-18 Dit ‘rietje’ kan McDonald's en het milieu redden
  2. ↑
    Frederik Backman
    “Britt-Marie was hier” (2015), Q, ISBN 9789021400679
  3. ↑
    Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be