Naar inhoud springen

ruil

Uit WikiWoordenboek
  • ruil
enkelvoud meervoud
naamwoord ruil ruilen
verkleinwoord ruiltje ruiltjes

de ruil m

  1. een uitwisseling van goederen
    • Hij bood het te ruil aan. 
  2. een uitwisseling van diensten
    ▸ Ze somde het ene voorbeeld na het andere op; verhalen over cliëntelisme, corruptie, vriendendiensten in ruil voor baantjes, buitenlandse inmengmg, journalisten die veel te nauw contact hadden met politici en verdachte misdaden.[2]
  3. een uitwisseling van mensen
    ▸ Dus toen de rebellen zeiden: 'We zijn bereid een paar van jullie soldaten vrij te laten in ruil voor deze correspondent,' vroegen onze mensen hem: 'Wil je geruild worden?' Hij zei: 'Dat wil ik wel.[3]
vervoeging van
ruilen

ruil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruilen
    • Ik ruil. 
  2. gebiedende wijs van ruilen
    • Ruil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruilen
    • Ruil je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]