Naar inhoud springen

rib

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: RIB
  • rib
  • In de betekenis van ‘dun been in borstkas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord rib ribben
verkleinwoord ribje
ribbetje
ribjes
ribbetjes

de rib v / m

  1. (anatomie) elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
    • Zijn ribben waren gebroken en hij was in levensgevaar. 
    ▸ Ik vertelde aan mijn moeder dat Eva uit een rib van Adam was ontstaan.[4]
    ▸ Maar de oma van Milan overleefde, omdat de uitasa al goed dronken waren toen zij aan de beurt was, waardoor het mes slechts een rib raakte.[5]
    ▸ Uit een rib of een bot vervaardigde men een speerpunt met dodelijke inkepingen en weerhaken.[6]
  • zijn ribben waren te tellen
hij was zo mager dat er geen vet meer op zijn borstkas aanwezig was
•  Ik had in een totaal andere wereld geleefd, maar was ik dan ook echt veranderd? Fysiek wel, aangezien ik bijna 9 kilo lichaamsgewicht kwijt was geraakt en mijn ribben te tellen waren. [7] 
vervoeging van
ribben

rib

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribben
    • Ik rib. 
  2. gebiedende wijs van ribben
    • Rib! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribben
    • Rib je? 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[8]