Naar inhoud springen

passen

Uit WikiWoordenboek

(heteroniem)

  • pas·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
paste
gepast
zwak -t volledig

[A] passen

  1. absoluut, (kleding) precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.)
    • Dit jasje past me goed. 
    ▸ ‘How can I help you sir? Today’s special is the Caesar salad,’ zei een vrolijke jonge vrouw die niet helemaal in haar uniform paste.[3]
  2. overgankelijk zien of iets de juiste maat is
    • Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen. 
  3. inergatief (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
    • Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek. 
  4. onovergankelijk schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
    • Past het u dat ik morgen langs kom? 
  5. onovergankelijk (spel) een beurt voorbij laten gaan

de [A] passen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pas
    ▸ En ja.... sta me toe'Hij maakte het pakje open en legde het sieraad snel om de hals van Christa, deed het slotje dicht en zette een paar passen naar achteren.[5]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
passte
gepasst
zwak -t volledig

[B] passen

  1. overgankelijk (sport) (de bal) naar een medespeler spelen
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]
  1. ↑ passen op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑ "passen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  3. ↑
    Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. ↑ Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  5. ↑
    Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691
  6. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • pas·sen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
passte
gepasst
zwak volledig hulpwerkwoord
= haben

passen

  1. passen
  2. aanstaan [1], bevallen [1]
  3. (sport) passen