Naar inhoud springen

grootvader

Uit WikiWoordenboek
Een grootvader met kleinkinderen
  • groot·va·der
enkelvoud meervoud
naamwoord grootvader grootvaders
verkleinwoord grootvadertje grootvadertjes

de grootvader m

  1. (familie) de vader van een ouder
    • Na school ging de jongen altijd bij zijn grootvader langs. 
    ▸ Ik vraag me af of mijn grootvader achteraf spijt heeft gehad van zijn harde opstelling.[3]
    ▸ Ze maakte een wandelingetje over het erf en trof in de groentetuin mijn altijd zo stoïcijnse grootvader aan.[3]
    paternale ~ vader van vader
    maternale ~ vader van moeder
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]