Naar inhoud springen

grauw

Uit WikiWoordenboek
  • grauw
  • In de betekenis van ‘vaalwit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1132 [1]
  • In de betekenis van ‘gepeupel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord grauw grauwen
verkleinwoord grauwtje grauwtjes

grauw

  1. m snauw
  2. o de grauwe kleur
  3. o gepeupel, plebs
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen grauwgrauwergrauwst
verbogen grauwegrauweregrauwste
partitief grauwsgrauwers-

grauw

  1. donkergrijs, kleurloos
    ▸ Andrew hield in de ambulance mijn hand vast, met een gezicht dat grauw zag van angst.[2]
    ▸ Het meer zag er kil en grauw uit en de omgeving was verlaten.[3]
    • hij was de grauwe Hollandse luchten zat en vertrok naar het zonnige zuiden 
    ▸ `Ach Pietje,' zei Sint, 'in die grauwe deken ben ik toch Sinterklaas.'[4]
vervoeging van
grauwen

grauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grauwen
    • Ik grauw. 
  2. gebiedende wijs van grauwen
    • Grauw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grauwen
    • Grauw je? 
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. 1 2 "grauw" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. ↑
    Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  3. ↑
    Victoria Holt
    “De bruid van Pendorric” (1973), SAGA Egmont, ISBN 9788726955583
  4. ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 13
  5. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be