Naar inhoud springen

brok

Uit WikiWoordenboek
brokken van grafzerken
  • brok
  • In de betekenis van ‘stuk’ voor het eerst aangetroffen in 1484 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord brok brokken
verkleinwoord brokje brokjes

de brok v / m, het brok o

  1. blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
    • Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven. 
    ▸ Er is het eerste verpletterende uitzicht op aarde, een brok toermalijn, nee, een cantaloupe, een bont en blauw oog van witte, lila, oranje, amandel-, mauve-, magentakleurige gruizige glansgelakte pracht.[3]
  2. restant van een constructie
    • Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen. 
  3. (persoon) (figuurlijk) (informeel) man of mens
    1. iemand met een fors postuur
    2. (pejoratief) verwerpelijk persoon
  • een brok in de keel krijgen
emotioneel aangedaan zijn
•  Met een brok in haar keel nam Chantal afscheid. [4] 
∗ Ik probeerde niet meer triest te zijn, ik probeerde mijn tranen te vervangen door een lach, de brok in mijn keel weg te slikken, maar daar trapte Mark niet in.[5]
∗ Ik zweeg en poseerde met een brok in mijn keel.[6]
  • brokken maken
veel dingen laten mislukken
vervoeging van
brokken

brok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
    • Ik brok. 
  2. gebiedende wijs van brokken
    • Brok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
    • Brok je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]

brok m

  1. hagel; een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel.