Naar inhoud springen

boeien

Uit WikiWoordenboek
  • boei·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boeien
boeide
geboeid
zwak -d volledig

boeien

  1. overgankelijk iemands vrijheid beperken door hem vast te binden aan hand of voet; in de boeien slaan
    • De corrupte politicus werd gearresteerd en geboeid weggevoerd. 
    ▾ En men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.[1]
  2. overgankelijk iemands aandacht vasthouden
    • De leraar wist de kinderen maar niet te boeien. 
    ▾ Op de rechterpagina stond het financiĂ«le nieuws. De aex, Euro Stoxx 50, olieprijs in US dollars per vat en de Dow-Jonesindex. Zaken die haar in het geheel niet konden boeien.[2]

de boeien mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boei

boeien

  1. (informeel) niet interessant
    • Ja boeien, daar heb ik geen zin in. 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14
  2. ↑ “All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be