Naar inhoud springen

bedrog

Uit WikiWoordenboek
  • be·drog
enkelvoud meervoud
naamwoord bedrog -
verkleinwoord bedrogje bedrogjes

het bedrog o

  1. het met kwade opzet misleiden van iemand
    • Deze veelgeroemde wetenschappelijke publicatie berust op bedrog. 
    ▸ Het idee om na het tellen terug te keren naar zijn schrijfmachine was weliswaar rationeel, maar ook immoreel. Geen groot bedrog, maar toch bedrog.[3]
    ▸ En haar besluit om Olive te helpen met haar bedrog - de schilderijen naar Malaga brengen, ervoor zorgen dat Sarah bleef denken dat ze van Isaacs hand waren, de zolder schoonhouden - had geleid tot deze niet zo nobele waarheid: dat ze geschilderd wilde worden.[4]
  • Dromen zijn bedrog
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]