Naar inhoud springen

soit

Uit WikiWoordenboek
  • soit
  • van Frans soit, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: het zij zo!’ aangetroffen vanaf 1865 [1] [2]

soit!

  1. (informeel) het zij zo, uitroep waarbij men iets wat gebeurd of gezegd is, zonder instemming aanvaardt
    ▸ Ik was ook niet slim, ik wist toch uit ondervinding, dat zij de sterksten waren en toch verzette ik me elke keer weer, hijgen dat ze deden en zweten, de zever spatte uit hun mond, hun ogen bolderden bijna uit hun kassen, zoveel inspanningen moesten ze toch niet doen, ik een mager kind van dertien jaar, ik heel alleen tegen twee bonken van venten, soit, voor een bagatel werd ik gestraft, in 't cachot vloog ik of in het zwart gat of in het dwangbuis, het hing allemaal af van z'n humeur.[3]
(enkel naar de vorm; afzonderlijk ontleend aan het Frans)
54 %van de Nederlanders;
75 %van de Vlamingen.[4]
vervoeging van
être

soit

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van être

soit

  1. hetzij; ofwel

soit!

  1. soit; het zij zo