haalde
Uiterlijk
- haal·de
| vervoeging van |
|---|
| halen |
haalde
- enkelvoud verleden tijd van halen
- Ik haalde.
- Jij haalde.
- Hij, zij, het haalde.
- Ik haalde.
- ▸ Terlouw besloot niet terug te keren in de Kamer en haalde zijn gram met de publicatie van een bitter dagboek. Na een periode in het buitenland werd hij tussen 1991 en 1996 commissaris van de Koningin in Gelderland. Het einde van zijn loopbaan stond, net als aan het begin, in het teken van het water: in 1995 liet hij wegens dreigende overstromingen het rivierengebied evacueren.[1]
- ▸ Toen het grootste gedeelte van Teresa's haar was afgeknipt, haalde Jorge een barbiersmes uit zijn zak.[2]
- haalde aan
- haalde af
- haalde op
- haalde uit
- Het woord haalde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron Dik Verkuil“Het vertrouwen van Jan Terlouw was zijn kracht en zijn zwakte” (16 mei 2025), NOS - ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704