Naar inhoud springen

date

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: deet, deed, daté
  • date
enkelvoud meervoud
naamwoord date dates
verkleinwoord - -

de date v / m

  1. afspraakje
    • De jongen maakte een date met het leuke meisje 
    ▸ 'Dus, zeg dat ik straks in San Francisco een keer op date wil met een knappe Amerikaan, die meteen wat van zijn stad aan me laat zien, dan kan ik die hier vinden?' Verbijsterd staar ik haar aan.[3]
  2. degene met wie men een afspraak heeft
    • Het meisje werd verliefd op haar date. 
    ▸ Het was een blind date die John, haar flatgenoot en huisbaas, voor haar had geregeld.[4]
    ▸ Ze stond op en kwam uit de schaduw om haar date te begroeten.[4]
vervoeging van
daten

date

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daten
    • Ik date. 
  2. gebiedende wijs van daten
    • Date! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van daten
    • Date je? 
  4. aanvoegende wijs van daten
95 %van de Nederlanders;
92 %van de Vlamingen.[5]
  1. ↑ date op website: Etymologiebank.nl
  2. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. ↑
    Nathalie Windhorst
    “Reisgenoten” (2025), Loft books, ISBN 9789047210252
  4. 1 2
    Jessie Burton
    “De bekentenis” (2020), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586295
  5. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
date dates

date

  1. (tijdrekening) datum
  2. afspraakje om met iemand een avondje uit te gaan
  3. (fruit) dadel
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  date     la date     dates     les dates  

date v

  1. (tijdrekening) datum
vervoeging van
dater

date

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van dater
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van dater
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van dater


vervoeging van
darse

date

  1. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van darse
vervoeging van
datar

date

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar