Naar inhoud springen

Stripverhaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Strips)
Geschiedenis van het stripverhaal
Spotprent (vanaf 1843)
Krantenstrip uit de VS (1894 – 1930)
Tijuana bible (1920 – 1960)
Golden Age (1930 – 1956)
Europese striptijdschriften (1952 – 1980)
Silver Age (1956 – 1973)
Bronze Age (1965 – 1985)
Pop Art (1956 – 1970)
Underground comics (1967 – 1980)
Europese erotische strip (1968 – nu)
Walgfun (1972 – nu)
Psychedelische SF (1975 – 1985)
Geïmproviseerde strip (1976 – nu)
Literaire striproman (1975 – nu)
Small press (1990 – nu)
Autobiografische strip (1900 – nu)
Portaal  Portaalicoon  Strip

Het stripverhaal (ook beeldverhaal of strip genoemd) is een vertelvorm waarbij een verhaal verbeeld wordt door middel van afbeeldingen, die achtereenvolgende scènes in het verhaal verbeelden, ondersteund door tekst in (tekstballon) of onder de afbeelding. Een stripverhaal wordt gemaakt door een striptekenaar en een scenarioschrijver. Soms schrijft de tekenaar tevens het scenario, soms werken er meerdere personen aan het tekenwerk (schetsen, inkten, coloring, letteren) of aan het verhaal. Amerikaanse stripverhalen worden ook wel comics genoemd. Een bekende Japanse variant van het stripverhaal is de manga. Sinds de opkomst van sites zoals Webtoons zijn webstrips ook steeds toegankelijker en populairder geworden.

Little Sammy Sneeze (1904-06) door Winsor McCay

Voorgeschiedenis en vroege geschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]

Het stripverhaal heeft zijn oorsprong waarschijnlijk in het pictografisch schrift (beeldschrift).[bron?] Een vroege vorm van het stripverhaal is het Tapijt van Bayeux.[bron?] Op dit doek werden twee jaar na de slag bij Hastings de gebeurtenissen van deze slag uitgebeeld. Meso-Amerikaanse codices gaven mythologische verhalen weer door middel van een ingewikkeld systeem van afbeeldingen en logogrammen, wat dus min of meer hetzelfde systeem was als in hedendaagse stripverhalen. Ook de prehistorische afbeeldingen die in grotten zijn gevonden (zie Grotten van Lascaux) kunnen als een vroege vorm van het stripverhaal worden beschouwd, hoewel hun ontstaan misschien mede is te danken aan het ontbreken van geschreven taal. De eerste vorm van het Egyptische hiërogliefenschrift was in feite ook een vorm van een getekend beeldverhaal.

Als de combinatie van tekst en beeld als een essentieel kenmerk beschouwd wordt, dan zijn de oudste stripverhalen te vinden in de klassieke oudheid, met name op Griekse friezen en op de zuil van Trajanus uit het jaar 113. Dit waren geen gedrukte boeken, waardoor de toeschouwer naar het verhaal toe moest komen om het te lezen.[1]

Beeldverhalen werden ook gebruikt binnen het christendom om het woord van God kenbaar te maken aan de ongeletterden; dit waren de zogenoemde biblia pauperum ('armenbijbels').[1] Een bekend Nederlands voorbeeld is De Kleine Printbijbel uit 1772.

In Europa ontstond in de 15e eeuw een reeks volksprinten (ook wel bekend als centsprinten), waarin een afbeelding werd begeleid met onderliggende, vaak rijmende tekst. Nadat het rijmen steeds minder populair werd, begon deze vorm van strip kenmerken te worden voor kinderverhalen. De tekst werd in deze verhalen vaak gebruikt om te beschrijven wat er in de afbeelding gebeurde en zorgde zo voor een verdeling tussen tekst en beeld. Men moest van tevoren besluiten of ze eerst de tekst wilden lezen of de afbeelding wilden bekijken. Deze vorm van strip wordt ook wel de tekststrip genoemd. De tekststrip wordt over het algemeen gezien als beter dan het lezen van ballonstrips omdat het geen leesluiheid zou veroorzaken.[2] De tekststrip wordt gezien als de voorganger van het prentenboek.

Als oudste stripverhaal met tekstballonnen, ook wel ballonstrips genoemd, van Nederland geldt de zogenoemde Maan- en Klaagbrief uit 1493, waarin ridder Bernhard van Meurs in vier beelden vertelt hoe hertog Karel van Gelre zijn afspraak niet nakomt om hem uit gevangenschap vrij te kopen. Het document bevindt zich in het Regionaal Archief te Zutphen.[3] Pas vanaf 1920 kan de ballonstrip daadwerkelijk als veelvoorkomend beschreven worden. De Franse tekenaar Alain St. Ogan tekende deze stripverhalen. Deze heropkomst van de ballonstrip komt waarschijnlijk door invloeden uit de Verenigde Staten, waar de ballonstrip meer gebruikt werd. Veel van de geïmmigreerde Amerikaanse stripverhalen (zoals Mikkie Muis) werden in eerste instantie vertaald naar de vorm van de tekststrip. De spraakballonnen werden verwijderd en hun tekst onder of naast de afbeelding geplaatst.[2]

In het begin van de 19de eeuw vertelde de Zwitser Rodolphe Töpffer beeldverhalen met uitgebreide tekst onder de afbeeldingen. Zijn littérature en estampes, vaak in albums van meer dan 100 bladzijden, was vooral vernieuwend door haar onderhoudend karakter, in tegenstelling tot de vroegere moraliserende beeldverhalen.[1] Hij publiceerde in 1845 het eerste moderne stripverhaal dat ook in Nederland talrijke drukken beleefde als De Reizen en Avonturen van Mijnheer Prikkebeen. Ook de verhalen van de Duitser Wilhelm Busch zijn een voorbeeld geweest voor de eerste Amerikaanse strips. Het werk van Busch was in 1865 al in dertig talen vertaald. Begin 20e eeuw begon Émile Cohl met het getekende bewegende beeldverhaal, ook wel de animatie genoemd.

Krantenstrips in de Verenigde Staten

[bewerken | brontekst bewerken]
De strip Little Nemo van 23 september 1906. Klik tweemaal door voor de leesbare versie.

Het moderne stripverhaal ontstond in het midden van de 19e eeuw ter verfraaiing van de kranten die toen een sterke opkomst doormaakten. The Yellow Kid uit 1894 wordt meestal als eerste krantenstrip aangewezen. De kunstvorm van de ballonstrip, als combinatie van tekening en tekst, ontstond geleidelijk. The Katzenjammer Kids (New York Journal 1897) van Rudolph Dirks is rechtstreeks geïnspireerd op het Duitse geïllustreerde verhaal Max und Moritz, een verre voorloper van het stripverhaal.

In het begin van de 20e eeuw verschenen in de Amerikaanse kranten zondagbijlagen waarin een aantal verschillende typen strips en verhalen werden gecombineerd. Ook deze waren voornamelijk bedoeld om de omzet te verhogen. Little Nemo in Slumberland van Winsor McCay is hier een voorbeeld van.

Strips uit de jaren 30

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Superhelden#Geschiedenis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Aan het eind van de jaren dertig ontstonden in Amerika de eerste moderne stripverhalen. Richard Felton Outcault geldt als geestelijke vader van de moderne comic strip met de series The Yellow Kid en Buster Brown, die origineel in kranten verzameld werden. Deze werden later verzameld in goedkope boekjes met daarin fantastische verhalen of avonturen van terugkerende hoofdpersonages. Dit waren vooral ballonstrips. In de Tweede Wereldoorlog werd dit medium (vaak ook 'de comic' genoemd) door de Amerikaanse regering gebruikt om bepaalde informatie of goede wenken aan de soldaten in het veld over te brengen.

Klassieke avonturenstrip in België en Nederland

[bewerken | brontekst bewerken]

In Nederland ontstond al in het begin van de 15e eeuw de tekststrip. Deze stijl zette zich tot in de 20e eeuw door en evalueerde onder andere tot het prentenboek. Een voorbeeld hiervan is De zeer zeldzame lotgevallen van Janus Karmijn van J. (Koos) van der Horst Jr.[4] uit de Nieuwe Delftsche Courant (eind juli-begin december 1927). In deze strip komen Sacco en Vanzetti als Sakki en Versetto voor.

Denk ook aan striptekenaars als Henk Backer met Tripje en Liezebertha en Gerrit Rotman met Mijnheer Pimpelmans. Andere wat latere voorbeelden zijn Tom Poes en Panda door Marten Toonder en de Toonder Studio's, Kapitein Rob door Pieter Kuhn, Dick Bos door Alfred Mazure en Eric de Noorman door Hans G. Kresse. Het oudste bekende stripboek was een kleine uitvouwstrip, die was bedoeld als reclame van een bekende koffiefabrikant.

In België liep er een gelijkaardige ontwikkeling. In 1929 maakte Hergés internationaal succesrijke stripreeks Tintin (Kuifje) zijn debuut. Hergé introduceerde ook een tekenstijl, de klare lijn, die in België veelvuldig geïmiteerd werd door andere striptekenaars. In 1938 volgde Spirou (Robbedoes en Kwabbernoot), rond welk het oudste stripblad van het land gemaakt werd: Spirou (Robbedoes). Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er in Vlaanderen bekende krantenstrips zoals Suske en Wiske, Nero en Jommeke. In Wallonië werd het weekblad Kuifje opgericht, waar talloze bekende en internationaal verspreide stripreeksen gepubliceerd zouden worden, zoals Blake en Mortimer, Alex (strip) en Thorgal. In het weekblad Robbedoes ontstonden dan weer legendarische stripreeksen zoals Buck Danny, Lucky Luke, De Smurfen, Guust, De Blauwbloezen en Natasja.

Golden age comics

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Golden Age (comics) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de Eerste Wereldoorlog ontstond de Amerikaanse superheldencultuur aan de hand van stripverhalen. met veel aandacht voor de verhalen van Superman (voor het eerst in Action Comics #1), Batman (debuteerde in Detective Comics #27) en de beide ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog bestaande Captain America en Namor the Sub-Mariner bestond het publiek vooral uit kinderen. Aangezien de vrouw in die tijd een ondergeschikte rol speelde, kwamen zij voornamelijk als reddingsonderwerp in beeld. Een bekende uitzondering hierop was Wonder Woman. Jaren later volgden de vrouwelijke superhelden pas in groteren getale, denk daarbij aan personages zoals Vampirella, Jean Grey (van de X-Men) en She-Hulk. Er ontstonden in de jaren negentig zelfs termen voor bepaalde comics met vrouwelijke hoofdpersonen: "Bad Girl" (Bad Grrrl) comics en "Good Girl" art.

Hoewel de superhelden na verloop van tijd met kosmische dreigingen en superschurken te maken krijgen, waren ze oorspronkelijk wrekers in dienst van sociale rechtvaardigheid, in lijn met de verwachtingen van het Amerikaanse publiek tijdens de crisisjaren 1930 en de daaropvolgende New Deal. In zijn eerste verhalen bedreigt Superman de gouverneur van een staat om een vrouw van de doodstraf te redden; slaat een man in elkaar die zijn vrouw heeft mishandeld; en vernielt een wagen vol boefjes die de journaliste Lois Lane hadden lastiggevallen.[5]

Lilliput-strips

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanuit Duitsland werden enkele duizenden zogenaamde Lilliput-stripboekjes vertaald en uitgegeven. Dit waren boekjes van zestien pagina's op strookjesformaat. Voorbeelden zijn Tarzan, Akim en Tibor.

Silver age comics

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de dalende populariteit van de superheldenstrip begon DC comics in de jaren 1950 weer met het uitbrengen van strips over hun beroemdste helden. Vaak hadden deze personages een nieuwe, modernere, science-fiction-gebaseerde oorsprong om de verhalen bij een nieuw publiek te doen aanslaan. Ook werden er nieuwe superhelden bijbedacht, meer gebaseerd op die tijd. Dit was het begin van de Silver Age of Comics.

Marvel Comics reageerde begin jaren 60 op dit succes door zelf ook superheldenstrips te maken. De Fantastic Four, Spider-Man en The Incredible Hulk zijn bekende voorbeelden van Silver Age Marvel stripfiguren.

Vermenselijking van de superheld
[bewerken | brontekst bewerken]

Marvel vernieuwde het genre van de superheldenstrip door hun personages kleine gebreken te geven om ze menselijker te maken. Stan Lee was een bedenker van veel van deze helden. Door de superheldenstrip te combineren met drama werden de personages als echter beschouwd. Voorbeelden van personages waaraan Stan Lee (stripauteur) had gewerkt waren de X-men - mutanten die, hoewel ze de mensen beschermden, door iedereen werden gehaat - en de domme, agressieve Hulk.

Europese strips en striptijdschriften

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond in Frankrijk, België en Nederland een uitgebreide cultuur van stripweek- en maandbladen met als uitvloeisel daarvan stripboeken die bestaande stripreeksen verzamelde en bonden. Enkele voorbeelden van tijdschriften zijn Kuifje, Donald Duck, Robbedoes, Charlie, Pilote, Bravo!, Pep en Eppo. Het succes van deze tijdschriften wist reeksen als Robbedoes en Kwabbernoot, Suske en Wiske, Lucky Luke, Ravian en Asterix te lanceren bij het grote publiek.

Zie Gag (strip) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In een gagstrip beperken de verhalen zich slechts tot een aantal prentjes of pagina's tot de clou wordt duidelijk gemaakt. In veel gagalbums neemt de gag één pagina in. Voorbeelden van gagstrips zijn Peanuts, Garfield (strip) en Guust. In dit soort strips staat de "gag" of grap voorop en is de plot van ondergeschikt belang. Strips waarbij in een heel album een verhaal wordt verteld kunnen echter ook gebruikmaken van gags, zij het in de context van de plot. Een speciaal soort gag is de running gag, waarbij een specifieke grap in elke aflevering of album terugkeert. De herhaling draagt bij tot de populariteit van dit soort grappen.

Zie Popart (kunststroming) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanuit de kunstwereld werd een positieve impuls gegeven door de opkomst van de popart. Met name Roy Lichtenstein waardeerde de grafische afbeeldingen uit de pulp-strips van de jaren 50 en vergrootte deze met acrylverf uit op immense doeken. Door zijn succes wonnen vanaf dat moment strips ook aan waardering om hun grafische kwaliteit, die zich totaal onafhankelijk van de moderne kunst ontwikkeld had en daardoor zo verschillend was van de schilderkunst uit de overeenkomstige periodes.

Underground comics

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Undergroundstrip voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1952 werd het satirische tijdschrift MAD opgericht. Begin jaren 70 verschenen in Amerika voor het eerst de undergroundstrips. Deze waren een uiting overeenkomstig met het gedachtegoed van de hippiecultuur. De verhalen werden vooral gemaakt om taboes te doorbreken en stonden bol van de scènes over vrije seks en drugsgebruik. De tekenstijl was vaak ook psychedelisch van aard. De bekendste tekenaar van deze stroming is Robert Crumb. Van zijn stripheld Fritz the Cat zijn ook twee tekenfilms verschenen. Andere bekende tekenaars zijn Robert Williams, Victor Moscoso, S. Clay Wilson, Vaughn Bodé en Gilbert Shelton (Freak Brothers). Nederlandse tekenaars van undergroundstrips zijn Peter Pontiac, Joost Swarte, Theo van den Boogaard, Ever Meulen. Een uitgeverij die zich actief inzette voor de uitgeverij van deze strips was de Real free press.

Franse strips voor volwassenen

[bewerken | brontekst bewerken]

De door de hippierevolutie ontstane nieuwe vrijheid van meningsuiting uitte zich in Frankrijk meer door een meer satirisch gericht genre in plaats van politiek gericht anti-establishment. Tekenaars binnen deze stroming waren Marcel Gotlib, Binet, Reiser, Vuillemin, Pichard en Wolinski. Ook Franquins Zwartkijken hoort thuis bij deze stroming. Veel van deze strips verschenen in het blad Rhaa Lovely. In Nederland volgden Gerrit de Jager (Familie Doorzon), Eric Schreurs (Joop Klepzeiker), Hein de Kort, Theo van den Boogaard (Sjef van Oekel), Toon van Driel (F.C. Knudde, Stamgasten), etc... In België volgden Kamagurka, Herr Seele (Cowboy Henk), Fritz Van Den Heuvel, etc...

Psychedelische sf

[bewerken | brontekst bewerken]

Andere tekenaars richtten zich meer op uitgewerkte, grafische experimenten in het blad Metal Hurlant die vaak qua genre balanceerden tussen sciencefiction en psychedelica. Dit waren tekenaars zoals Moebius, Enki Bilal, Phillipe Druillet, Tardi (Polonius). In Nederland volgden Dick Matena (Amen, De Prediker, Het web) en Aad Labadie deze stroming.

Erotische strip

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de jaren dertig verschenen er, met name in Amerika, illegaal uitgegeven erotisch of pornografisch getinte strips die onder de toonbank verkocht werden. Pichard en Guido Crepax publiceerden, in navolging van de eerste pornografische films uit Denemarken, begin de jaren zeventig voor het eerst openlijk onder eigen naam strips met een seksueel georiënteerde inhoud, variërend van onschuldig bloot tot extreem gewelddadige SM-verhalen waarin seks vermengd wordt met geweld en doodslag. In navolging hiervan ontstond de zogenaamde Zwarte Reeks, een serie pornografische strips van diverse tekenaars. Milo Manara wordt later wereldberoemd met zijn getekende Lolita-modellen.

Geïmproviseerde strip

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Geïmproviseerde strip voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Om te breken met de vastgegroeide conventies hoe een verhaal opgebouwd moet zijn, legden een aantal tekenaars zich toe op de improvisatie. De eerste tekenaar die een geïmproviseerd stripverhaal maakte, dat zich van plaatje naar plaatje tot stand liet komen, was Jacques Tardi. Hij tekende Het ware verhaal van de onbekende soldaat, een nachtmerrie-achtig stripverhaal over een delirium tijdens de laatste minuten van een stervende soldaat in de loopgraven.

Hierna volgden nog onder andere Het Besloten Land, ook van Tardi, en De Hermetische Garage van Moebius.

De literaire beeldroman

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Striproman voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de jaren 80 werden er steeds meer strips gemaakt die ook voor een ouder publiek bestemd waren. Hugo Pratt maakte met zijn Ballade van de zilte zee de eerste Europese striproman (beeldroman), die zich onttrok aan het keurslijf van 48 of 64 pagina's. Jacques Tardi, Didier Comès, François Bourgeon en Enki Bilal zijn andere auteurs die zich tevens concentreerden op een volwassen publiek. Maus van Art Spiegelman is een andere bekende strip in dit genre, die wereldwijd onderscheiden werd met literaire prijzen.

Zie Small press voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de jaren negentig ontstond met het wegvallen van de grote stripbladen de small-pressstroming: kleine boekjes van opkomende tekenaars die ze zelf produceerden en uitgaven. Enkele voorbeelden hiervan zijn Spekkie Big, Maaike Hartjes en Barbara Stok.

Autobiografische strip

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Autobiografische strip voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In navolging van enkele auteurs uit de jaren tachtig werd de autobiografische strip een populair genre in de jaren negentig.

Culturele waardering

[bewerken | brontekst bewerken]
Manga-stijl uit Japan: grote ogen en kleine neus en mond
Een comic uit de VS: gemaskerde superhelden en speciale krachten in het verhaal

In Nederland wordt de strip veelal nog ervaren als inferieure lectuur. Slechts bekende klassieke series als Olivier B. Bommel en Asterix hebben een grote culturele waardering gekregen en worden ook op sommige scholen beschouwd als literatuur vanwege de dubbele bodem in de verhalen; de historisch verantwoorde aspecten van Asterix worden bijvoorbeeld gebruikt bij lessen Latijn. Op kunstacademies worden de mogelijkheden van het stripverhaal als grafisch medium tot op heden nog grotendeels ontkend. Op zeer weinig academies bestaat een gerichte opleiding voor striptekenaars. Vaak zijn jonge striptekenaars toegewezen op een opleiding vrije grafiek of illustratie, waarbij voorbijgegaan wordt aan de complexiteit van het verhalende aspect van strips, vergelijkbaar met het maken van een film. Ook subsidiëring en werkbeurzen worden tot op heden zelden toegekend aan striptekenaars uit Nederland of Vlaanderen. Slechts enkele tientallen kregen reeds zo'n beurs. Er is geen aparte beurs speciaal voor het stripverhaal. In veel gevallen kreeg de kunstenaar de beurs via grafische vormgeving of illustratie, wat andere vakgebieden zijn.

Het werk van François Schuiten en Lorenzo Mattotti tilde het medium strip op tot een kunstvorm.

België kent zijn geheel eigen stripcultuur die een belangrijke rol speelt in de Europese stripwereld. Hergé was met Kuifje in de jaren 20 en 30 niet alleen de grondlegger van de Belgische strip, maar ook van de Europese strip in het algemeen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er in België een gigantische toevloed van nieuwe striptekenaars en reeksen. Veel van hen publiceerden in de twee belangrijkste stripbladen van het land, Kuifje en Robbedoes. In Vlaanderen werden strips vooral als vervolgreeksen in kranten gepubliceerd. Een aantal Belgische strips hebben toch een opmerkelijke internationale carrière weten opbouwen, met Kuifje, Robbedoes en Kwabbernoot, Suske en Wiske, De Smurfen, Thorgal, XIII en Lucky Luke als bekendste voorbeelden.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschouwt strips als immaterieel erfgoed.[6]

In Nederland is er voornamelijk belangstelling voor korte humorstrips als Doorzon, Sigmund (strip) en Fokke & Sukke die wekelijks of dagelijks in tijdschriften en kranten verschijnen. Verhalen op album-formaat zijn, op de alom bekende reeksen als Suske & Wiske, Lucky Luke en Asterix etc. na, slechts verkrijgbaar in gespecialiseerde stripwinkels die door een apart alternatief stripdistributieorgaan van hun boeken voorzien worden.

Andere landen in Europa

[bewerken | brontekst bewerken]

In landen als Frankrijk, Italië, Spanje en het al genoemde België waardeert het publiek het medium als een volwaardige kunstvorm (de negende kunst). Striptekenaars zijn in Frankrijk vaak net zo beroemd als literaire schrijvers en verschijnen regelmatig op televisie bij praatprogramma's. Strips zijn daar in boekenwinkels net zo ruim vertegenwoordigd als gewone romans. Stripboeken van bijvoorbeeld Enki Bilal zijn voorpaginanieuws en Jacques Tardi wordt door de gerenommeerde Franse literatuuruitgever Gallimard uitgegeven.

Ook in Amerika waardeert men strips anders dan in Nederland of België. De comics hebben hoge oplages en tekenaars van meer cultureel georiënteerde strips illustreren tevens voor bladen als The New Yorker. Maus, uitgegeven door de Amerikaanse literaire uitgeverij Pantheon, werd bekroond met een Pulitzerprijs, Jimmy Corrigan van Chris Ware wordt in Amerika als een volwaardig kunstwerk beschouwd, zowel om de grafische als om de verhalende kwaliteit van dit werk, en van Ghost World van Daniel Clowes werd een verfilming gemaakt. Het onderscheid tussen welke stripverhalen als cultureel waardig worden ontvangen en welke niet is in Amerika vaak te vinden bij het onderscheid tussen stripromans en stripreeksen. Het striproman wordt vaker erkend als kunstzinnig door haar samenhang, vaak meer volwassen karakter en literaire thema's.

Ook Japan kent een rijke striptraditie in de vorm van de Manga die in tegenstelling tot de westerse en Amerikaanse strip ook veel voor vrouwen en meisjes geschreven wordt. De genrediversiteit van de stripverhalen die in Japan worden aangeboden is dan ook wel veel groter dan die van de strips en comics in Europa en Amerika.

Wetenschappelijke benadering

[bewerken | brontekst bewerken]

De beeldvorming van het stripverhaal als een wegwerpmedium voor kinderen, snel gelezen en even snel weer vergeten, begon te veranderen in de jaren 80 en 90 van de 20ste eeuw, toen geleerden stripverhalen begonnen te bestuderen en wetenschappelijke werken publiceerden over hun maatschappelijke rol.[7]

Communicatiewetenschappers bestuderen tegenwoordig het stripverhaal vanuit een groot aantal elkaar aanvullende perspectieven, zoals formele analyse; historische, politieke of culturele studie; economisch onderzoek; filosofische benadering; en semiotiek; dit naast de vele geleerden die afzonderlijke genres en vormen analyseren. Er bestaat evenwel een groeiende tendens om stripverhalen narratologisch te beschrijven.[8]

Verschillende vormen en genres

[bewerken | brontekst bewerken]

De strip kan ruwweg in een aantal categorieën worden onderverdeeld:

  • een enkel plaatje, al dan niet voorzien van tekst, ook wel cartoon genoemd;
  • de gagstrip, een (meestal horizontale) strook bestaande uit een of meer plaatjes die een kort verhaal uitbeelden;
  • de pagina-strip;
  • de tekststrip, een strip waar tekstballonnetjes ontbreken en de tekst onder de plaatjes wordt weergegeven.
  • de ballonstrip, een strip waarin tekstballonnen aanwezig zijn.
  • een compleet verhaal dat over meerdere pagina's wordt afgebeeld:
    • de comic, een Amerikaans formaat stripboek van standaard 32 pagina's. In het overgrote geval bevatten deze uitgaves delen van series die later (per verhaallijn of meer) worden verzameld in zogenoemde Trade Paperbacks;
    • het stripalbum, meestal 48 of 64 pagina's, soms 56 pagina's;
    • de striproman, (literaire) beeldroman of graphic novel, een stripboek met 'romandikte': minimaal 80 pagina's, maar meestal meer dan 100 pagina's;
    • de vedettestrip, een stripreeks rond bekende mediafiguren.

Genres Europa en Noord-Amerika

[bewerken | brontekst bewerken]

Ook zijn er verschillende genres binnen de categorie van het stripverhaal. Bepaalde van deze zijn sterk verbonden met een bovenstaande vorm, maar anderen wisselen regelmatig van vorm.

  • Jeugdstrips, strips uit kranten of in albums met als doelgroep een jong publiek (tussen de 8-14 jaar), hebben vaak een jong hoofdpersonage of hoofdpersonages en zijn langlopend. Voorbeelden: Suske en Wiske, Lucky Luke en Asterix.
  • Avonturenstrips, strips die hedendaags met harde kaft gedrukt worden en veel weg hebben met de pulproman. Dit zijn verhalen georiënteerd op het oplossen van moordmysteries, het ontdekken van onbekende werelden en de typische avonturen van een spion. Voorbeelden: Corto Maltese, Alex en Prometheus.
  • Superheldenstrips (ook wel cape comics genoemd), strips met superhelden als hoofdpersonages. De bekendste strips uit de VS behoren tot dit genre. Voorbeelden: Superman, de X-Men en Wonder Woman.
  • Satirestrips, strips die vooral voorkomen in kranten en commentaar leveren op de maatschappij of recente gebeurtenissen, hebben vaak een humoristische tint. Voorbeelden: Sigmund, Fokke & Sukke en DirkJan.
  • Biografische strips, strips die het leven van een bekend persoon beschrijven; dit mag deels fictief zijn.

De manga, ontstaan in Japan, heeft eigen opvattingen van genre. Deze worden ingedeeld op doelgroep in plaats van op inhoud.

  • Shounen, doelgroep: jonge jongens (8-15 jaar), vaak met actie.
  • Shoujo, doelgroep: jonge meisjes (8-15 jaar), vaak met de school als achtergrond en een focus op romance.
  • Seinen, doelgroep: volwassen mannen (18-40), vaak met volwassen, ingewikkelde thema's rondom moraliteit, autonomie en/of de maatschappij.
  • Josei, doelgroep: volwassen vrouwen (18-40), een volwassen variant van de focus op Shoujo, gaat vaak over relaties, persoonlijke ontwikkeling en kan erotische scenes betrekken.
  • Kodomo, doelgroep: jonge kinderen (4-8 jaar), vaak met veelkleurige, enthousiaste hoofdpersonages en monsters.

Verteltechniek

[bewerken | brontekst bewerken]

Voice-over van de ik-persoon

[bewerken | brontekst bewerken]

Onder andere onder invloed van de filmcultuur is ook bij strips vaak een voice-over in het verhaal, deze wordt in de meeste gevallen in een balk boven of onder de plaatjes geplaatst in plaats van in de wolkjes. In zeldzamere gevallen wordt het verhaal aan de lezers verteld door een afbeelding van slechts het hoofd van de vertellende persoon. Jacques Tardi past deze laatste visuele techniek veel toe in zijn detective-strips, onder andere naar aanleiding van de Mike Hammer-boeken van Mickey Spillane, bij een opsomming van feiten. Zie aanvullend tevens het artikel tekstballon.

Stripinformatiebladen

[bewerken | brontekst bewerken]

Het bekendste en meest toonaangevende maandelijkse tijdschrift dat schrijft over strips is het Amerikaanse Comics journal. In Nederland zijn er twee grote stripinformatiebladen, de Zozolala en het Stripschrift. In België is er Stripgids en was er ook het Brabant Strip Magazine (ledenblad van Brabant Strip vzw).

Stripschrift is het langst lopende stripinformatieblad van Nederland.

Zozolala was een informatieblad dat gratis weggegeven werd in veel stripboekenwinkels. In november 2011 verscheen het laatste nummer. Het blad richtte zich meer op de progressieve moderne, alternatieve strip. Stripschrift is algemener en behandelt ook veel oudere strips. Eens in de zoveel jaar bij een jubileumnummer drukte dit tijdschrift een top ... aller tijden af, die werd samengesteld door inzendingen van de lezers (zie onder). Het tijdschrift heeft een zeer omvangrijk archief van verschenen artikelen op hun website.

Referentieliteratuur

[bewerken | brontekst bewerken]

Referentieliteratuur of ook wel vakliteratuur over het stripverhaal zijn geschriften die informatie geven over het stripverhaal in het algemeen of in het bijzonder, met een eigen terminologie bedoeld voor stripgeïnteresseerden. Voorbeelden hiervan zijn monografie, bibliografie, index, dossieralbum, jaarboek, interviewboek, catalogus, encyclopedie, schrijversgids, tentoonstellingscatalogus, servicegids, fantasygids, doctoraal- of hogeschoolscriptie (thesis), prentenboek (artbook) en programmaboekje.

Het oudste striptheoretische werk is van de vader van het stripverhaal zelf, de Zwitserse onderwijzer Rodolphe Töpffer (Genève 1799 - 1846). Het boekje draagt de titel Essai de Physiognomonie en is geschreven in 1845. Maar de echte belangstelling voor striptheorie is pas ontstaan in de jaren 1960 toen er op universiteiten doctoraalscripties over geschreven werden. Striptheoretisch onderzoek kreeg een flinke impuls, maar pas vanaf 1980 begon de striptheorie zich verder te ontwikkelen. Vooral Franstalige striptheoretici zoals Thierry Groensteen, Couperie, Peeters, Pascal Lefèvre, Baetens, Sohet en Marion namen het voortouw.

Bekende striptheoretische werken zijn bijvoorbeeld Système de la Bande Dessineé door Groensteen (PUF, Paris 1999), Bande Dessinée et figuration narrative door Couperie e.a. (Museé des Arts Décoratifs, Louvre 1967), Case - Planche - Récit - Comment lire une Bande Dessineé (Peeters, Casterman 1991) en Strips anders lezen (Baetens & Lefèvre, Sherpa / BCB 1993). Veel referentieliteratuur is te vinden in de grote online Europese database Comic book Reference Bibliograpic Datafile en de Amerikaanse Comics Research Bibliography. In de CRBD-database is ook een lijst opgenomen met Thesis over het beeldverhaal en een sectie Stripologie.[9]

Het Suske en Wiske - Kindermuseum in Kalmthout

In Brussel bevindt zich het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal (BCB), dat geheel gewijd is aan het werk van (voornamelijk Belgische) striptekenaars en -scenaristen. Er is eveneens een van de grootste stripbibliotheken van de wereld, met meer dan 40.000 albums, tijdschriften en referentiewerken. In het centrum van deze stad vindt men ook enkele muurschilderingen van bekende stripfiguren.

Het Belgische Louvain-la-Neuve heeft sinds 2009 een Hergé-museum gewijd aan het oeuvre van de Belgische striptekenaar Hergé. Medio juni 2009 opende in Brussel aan de Zandstraat, vlak tegenover het Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal het Marc Sleen Museum, exclusief gewijd aan het werk van Marc Sleen. Het Provinciaal Suske en Wiske-Kindermuseum bevindt zich sinds 1997 in Kalmthout.

Nederland beschikt sinds 2004 over een stripmuseum genaamd het Nederlands Stripmuseum, in Groningen, dat sinds 2019 Storyworld heet. Een tweede stripmuseum genaamd Strips! Museum bestond tussen 2016 en 2017 in Rotterdam. In 2019 opende het Jan Kruis Museum in Orvelte en in 2021 opende het Museum of Comic Art in Noordwijk.

In het Franse Angoulême bevindt zich het Cité internationale de la bande dessinée et de l'image.

In Duitsland, in Schwarzenbach an der Saale, dicht bij het Beierse Hof, staat het in 2015 geopende Erika-Fuchs-Haus | Museum für Comic und Sprachkunst, een museum voor o.a. het stripverhaal en de korte strip of "comic". Het is gevestigd op de plaats van het vroegere woonhuis van Erika Fuchs (1906-2005). Zij was de vertaalster in het Duits van de stripverhalen rondom Donald Duck, Mickey Mouse, Dagobert Duck enz., met name de door Carl Barks bedachte verhalen.

Zie Stripdagen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Jaarlijks organiseert het Stripschap de Stripdagen, eerst in Breda, sinds 2009 in Gorinchem en in 2018 in Utrecht. Tweejaarlijks is er een 3-daags festival in Haarlem, de Haarlemse stripdagen. Ook heb je de Stripbeurs in Breda en het Brabants Stripspektakel. Verder zijn er nog een aantal kleinere beurzen, onder andere in Rijswijk, Arnhem, Gouda en Leiden (Leidse stripdag).

Ook in België zijn er tal van beurzen, zoals het Stripfeest in Brussel.

Uitgevers van strips

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Lijst van stripuitgeverijen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Uitgevers van Nederlandstalige strips

[bewerken | brontekst bewerken]

Amerikaanse uitgevers

[bewerken | brontekst bewerken]

Underground & Graphic Novels

[bewerken | brontekst bewerken]

Gestopte Amerikaanse uitgevers

[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur over comics

[bewerken | brontekst bewerken]

In de loop der jaren zijn er ook in de literatuur veel pagina's gewijd aan het fenomeen comics; zowel fictie als non-fictie. In het eerste genre is in 2001 De Wonderlijke Avonturen van Kavalier en Clay (The Amazing Adventures of Kavalier and Clay) van Pulitzer-prijs-winnaar Michael Chabon uitgekomen. Het verhaal gaat over twee jonge mannen die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de VS hun eigen comic, The Escapist, maken. Verder is Understanding Comics van Scott McCloud een hoog aangeschreven titel, met onder andere een Harvey Award en een Eisner Award achter haar naam.

[bewerken | brontekst bewerken]