Neoclassicisme


Het neoclassicisme was aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw een stroming in de kunst, waarin opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken werd nagestreefd. Men richtte zich daarbij met name op de (bouw)kunst van de oude Grieken en Romeinen. Beroemde neoclassicistische kunstenaars zijn de Franse schilders Jacques Louis David en Jean Auguste Dominique Ingres, en de in Rome werkzame beeldhouwers Antonio Canova en Bertel Thorvaldsen.
Ontwikkeling classicisme en neoclassicisme
[bewerken | brontekst bewerken]De belangstelling voor de klassieke beschaving werd in de achttiende eeuw sterk aangewakkerd door enkele belangrijke archeologische opgravingen, onder andere de vondst van Pompeï (1748) en die van de steen van Rosetta (1799). Het werk van tekenaars die Napoleon Bonaparte met zich mee had genomen op zijn veldtocht naar Egypte sprak zeer tot de verbeelding van tijdgenoten. Een sleutelrol vervulden ook de geschriften van de archeoloog Johann Joachim Winckelmann. Een belangrijk centrum van waaruit het neoclassicisme zich verspreidde over Europa en Noord-Amerika was Rome.
Waar de grens tussen classicisme en neoclassicisme ligt, is niet altijd even duidelijk. In verschillende landen bestaan verschillende tradities rondom deze naamgeving. De term classicisme wordt veelal gebruikt voor zeventiende-eeuwse Franse kunstenaars als Nicolas Poussin en Claude Lorrain (in de Nederlanden onder andere Gerard de Lairesse). Zij lieten zich door de antieke kunst van de Grieken en Romeinen inspireren, zonder die te willen imiteren.
In de betiteling classicisme of neoclassicisme kan soms een waardeoordeel doorklinken: kunststijlen die de traditie van de klassieke Griekse en Romeinse kunst en de renaissance op 'respectabele' wijze voortzetten, worden in die visie classicistisch genoemd, terwijl hun meer eclectische varianten als neoclassicistisch worden gezien.
Schilderkunst
[bewerken | brontekst bewerken]Belangrijke neoclassicistische schilders en etsers waren: Giovanni Battista Piranesi en Andrea Appiani (in Italië), Jacques-Louis David en Dominique Ingres (in Frankrijk), Angelika Kauffmann (in Zwitserland), en Benjamin West (in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten).
In België kunnen de kunstenaars Joseph-Benoît Suvée en François-Joseph Navez genoemd worden; in Nederland de schilders Johannes van Dreght en Joannes Echarius Carolus Alberti.
- Angelika Kauffmann, Venus laat Helena verliefd worden op Paris, 1790
- Ingres, portret van Napoleon Bonaparte, 1803-04
- François-Joseph Navez, De ongelovige Thomas, 1823
- Jacques-Louis David, Mars ontwapend door Venus, 1824
Beeldhouwkunst
[bewerken | brontekst bewerken]De belangrijkste kunstenaars in het centrum van de neoclassicistische beeldhouwkunst (Rome) waren de Italianen Antonio Canova en Innocenzo Fraccaroli en de Deen Bertel Thorvaldsen. In Frankrijk waren in deze periode een groot aantal beeldhouwers actief, onder anderen Jean-Antoine Houdon, Augustin Pajou, François Joseph Bosio, Antoine-Denis Chaudet, David d'Angers en Jean-Pierre Cortot. In Duitsland waren de voornaamste vertegenwoordigers van het neoclassicisme Christian Daniel Rauch, Johann Gottfried Schadow en zijn zoon Rudolph Schadow; in Engeland was dat John Flaxman.
In België waren Gilles-Lambert Godecharle, François-Joseph Dewandre, Jean-Louis van Geel, Louis Jehotte en Eugène Simonis de belangrijkste neoclassicistische beeldhouwers. In Nederland kan Louis Royer tot het neoclassicisme gerekend worden; de beeldhouwers Mathieu Kessels en zijn leerling Johannes Antonius van der Ven waren voornamelijk in Rome werkzaam. De meesten van deze beeldhouwers schakelden later in hun carrière over op een meer romantische stijl.
- Augustin Pajou, Mercurius, 1780
- Antonio Canova, Psyche tot leven gekust, 1793
- Bertel Thorvaldsen, Kop van een krijger, ca. 1812-18
- Mathieu Kessels, Diskuswerper, 1822-28
Architectuur
[bewerken | brontekst bewerken]In de neoclassicistische architectuur lieten architecten zich inspireren door de Griekse en Romeinse bouwkunst, vooral door de klassieke tempelbouw met zuilencolonnades. Invloedrijke neoclassicistische bouwmeesters waren de Fransen Étienne-Louis Boullée en Claude-Nicolas Ledoux, de Duitsers Karl Friedrich Schinkel en Leo von Klenze, en de Britten John Soane, Robert Adam en John Nash. In Frankrijk, Duitsland en Rusland was in deze periode de overheid de belangrijkste opdrachtgever (paleizen, regeringsgebouwen, rechtbanken, triomfbogen, musea, theaters); in Engeland ging het voornamelijk om huizen voor particulieren. In de Verenigde Staten bleef de federale stijl of Greek revival style populair tot ver in de 20e eeuw bij de bouw van onder andere regeringsgebouwen (in vrijwel alle statenhoofdsteden) en landhuizen (vooral in het Zuiden).
In België droegen de architecten Laurent-Benoît Dewez, Pierre Bruno Bourla en Lodewijk Roelandt het neoclassicistisch idioom een warm hart toe. De stijl is vooral zichtbaar op het